De balans zoeken

Het is herfst, vroeger dan andere jaren laten de bomen hun bladeren en vruchten vallen. De aanhoudende droogte dwong hen tot deze overlevingstruc. Herfst is in de bomen en plantenwereld het begin van iets nieuws. Winterslaap om krachten te verzamelen. De westerse samenleving en haar economie met bijbehorende groeibehoefte zou een voorbeeld moeten nemen aan de natuur. Pauzeren, slapen, ondergronds gaan, net als de bomen en planten en sommige dieren. Die weten hoe noodzakelijk dat is om in leven te blijven. Anders groei je dood. In de bijbel is veel moois te vinden over de natuur dat je inspireert om ‘groen te geloven’.

Neem nou Psalm 104. Deze psalm staat lijnrecht tegenover de opmerking: “wat maakt het nou uit die paar plantjes die uitsterven?”  Voor de psalmist is de wereld 1 huis waarin alles bij elkaar hoort. Alles is gelijkwaardig.

Gegeven aan mensen?

Als je het zo zegt stel je mensen alweer centraal. De aarde is er voor ons. Maar is dat niet een manier van denken waaruit alle huidige ellende voortkomt? Psalm 104 en al die andere natuurteksten wijzen ons een plek naast de ooievaar en de das, de krekel en alles wat kruipt of vliegt of springt. Geen kroon op de schepping dus, maar dan toch wel een rentmeester? Het is een bekend begrip in christelijke kringen maar ook een gevaarlijk woord. Als de rentmeester niet meer het gelaat van God opmerkt in heel de schepping, als hij vergeet hoe nutteloze dieren net zo veel waard zijn als hij zelf ….dan wordt hij zelf God. Als hij vergeet dat een mens maar een klein stipje is in het geheel, dan verdwijnt alle bescheidenheid van de rentmeester achter de horizon.

Laat de herfst een spiegel zijn voor de mens. Om naar balans te zoeken tussen rennen en stilstaan, tussen loslaten en vasthouden, tussen nemen en geven.

uit Psalm 104:
16 De bomen van de HEER zuigen zich vol,
 de ceders van de Libanon, door Hemzelf geplant.
17 De vogels bouwen daar hun nesten,
  in de cipressen huizen ooievaars
18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken,
   in de kloven schuilen de klipdassen.

 19 U hebt de maan gemaakt voor de tijden,
 de zon weet wanneer zij moet ondergaan.
20 Als U het duister spreidt, valt de nacht,
 en alles wat leeft in het woud gaat zich roeren.
21 De jonge leeuwen gaan uit op roof,
  brullend vragen zij God om voedsel.
22 Bij zonsopgang trekken zij zich terug
en leggen zich neer in hun legers.
23 De mensen gaan aan het werk
 en arbeiden door tot de avond.

 

 

 

Ds. Lettie Oosterhof